Kleine bekken: anatomie en functies
Het kleine bekken is het onderste, diepere deel van het bekken. Het vormt een stevige ruimte tussen de bekkenbeenderen en bevat onder meer delen van de urinewegen, de geslachtsorganen en de dikke darm. De anatomie verschilt op sommige punten tussen vrouwen en mannen, maar de basisstructuur en veel functies zijn dezelfde.
Waar ligt het kleine bekken?
De bekkenruimte wordt anatomisch verdeeld in het grote bekken en het kleine bekken. De grens tussen beide is de bekkenrand, ook wel de linea terminalis genoemd. Boven die rand ligt het grote bekken; eronder ligt het kleine bekken, ook wel het ware bekken genoemd.
De bovenste opening van het kleine bekken heet de bekkeningang. De bekkenrand vormt hiervan de begrenzing. Achteraan loopt die grens langs het uitstekende deel van het heiligbeen, de bekkenrand van het heiligbeen en de zijkant van het schaambeen. Vooraan ligt ze ter hoogte van de bovenrand van het schaambeen.
Onderaan wordt het kleine bekken begrensd door de bekkenuitgang. Die opening wordt gevormd door onder meer het staartbeen, de zitbeenknobbels, de zitbeendoornen en de onderste takken van het schaambeen. De bekkenuitgang wordt grotendeels afgesloten door de bekkenbodem.
De bekkenwanden
De benige wanden van het kleine bekken bestaan uit delen van de heupbeenderen, het heiligbeen en het staartbeen. Aan de binnenzijde van de bekkenwanden liggen spieren en bindweefsel. Belangrijke spieren zijn de musculus obturatorius internus aan de zijkant en de musculus piriformis achteraan.
Deze spieren helpen het bekken stabiliseren en dragen bij aan de bewegingen van de heup. Door openingen in en rond de bekkenwanden lopen bloedvaten, zenuwen en andere structuren naar de benen en het perineum.
De bekkenbodem
De bekkenbodem is een spier- en bindweefsellaag onderaan het kleine bekken. Ze ondersteunt de organen in het bekken en helpt mee de urine- en stoelgangscontrole te regelen. De belangrijkste spiergroep is de musculus levator ani, die onder andere bestaat uit de puborectalis-, pubococcygeus- en iliococcygeusspier. Ook de musculus coccygeus maakt deel uit van de bekkenbodem.
De bekkenbodem is niet gewoon een passieve afsluiting. De spieren werken samen met de buik- en rugspieren om de romp te ondersteunen. Ze moeten kunnen aanspannen, maar ook voldoende ontspannen, bijvoorbeeld bij het plassen, de stoelgang en de bevalling.
Welke organen liggen in het kleine bekken?
In het kleine bekken liggen organen van verschillende orgaanstelsels. De precieze ligging varieert van persoon tot persoon en hangt onder meer af van de vulling van de blaas en de darm.
- Urinewegen: de urineblaas ligt vooraan. De urineleiders monden uit in de blaas; de urinebuis voert urine naar buiten.
- Spijsverteringsstelsel: het laatste deel van de dikke darm, waaronder het rectum, loopt door het kleine bekken.
- Geslachtsorganen: de aanwezige organen verschillen naargelang de anatomie van de persoon.
Bij vrouwen liggen onder meer de baarmoeder, de baarmoederhals en de vagina in het kleine bekken. De eierstokken en eileiders bevinden zich eveneens in de bekkenruimte, al kan hun exacte ligging variëren. Bij mannen liggen de prostaat en de zaadblaasjes onder meer in het kleine bekken. De zaadleiders lopen er gedeeltelijk doorheen.
Bloedvaten en zenuwen
De belangrijkste bloedtoevoer naar de organen in het kleine bekken komt van takken van de arteria iliaca interna, de inwendige bekkenslagader. De aders voeren het bloed terug via een netwerk van bekkenaders. De precieze vertakkingen verschillen tussen personen.
Zenuwen in het bekken verzorgen onder andere de spieren van de bekkenbodem, delen van de uitwendige geslachtsorganen en functies van de blaas en de darm. Een belangrijk netwerk is de plexus hypogastricus. Ook zenuwwortels uit het heiligbeen spelen een rol.
Verschillen in vorm en functie
De vorm en afmetingen van het kleine bekken verschillen tussen mensen. Gemiddeld is het bekken bij vrouwen anders gevormd dan bij mannen. Dat houdt onder meer verband met de voortplantingsfunctie en de doorgang van een baby tijdens een vaginale bevalling. Er bestaat echter veel natuurlijke variatie; de bekkenvorm laat niet op zichzelf toe om iemands gezondheid of bevallingsverloop te voorspellen.
Waarom is kennis van de bekkenanatomie belangrijk?
De anatomie van het kleine bekken is relevant bij onder meer urineverlies, verzakkingen, bekkenbodemklachten, bekkenpijn, problemen met de stoelgang en aandoeningen van de voortplantingsorganen. Ze speelt ook een belangrijke rol bij medische beeldvorming, chirurgie en zwangerschap.
Klachten in het bekken kunnen uiteenlopende oorzaken hebben. Bij aanhoudende pijn, bloedverlies, problemen met plassen of stoelgang, of een zwaar gevoel in de bekkenbodem is professioneel medisch advies aangewezen. Deze tekst is bedoeld als algemene informatie en vervangt geen persoonlijk onderzoek of medisch advies.
7 Essentiële Tips over de Anatomie van het Kleine Bekken
- De bekkeningang scheidt het kleine bekken van het grote bekken.
- Het heiligbeen ligt achteraan; het schaambeen vormt de voorzijde.
- De bekkenbodem ondersteunt de bekkenorganen en helpt urine op te houden.
- De blaas ligt vooraan en het rectum achteraan in het bekken.
- Bij de vrouw liggen baarmoeder en vagina tussen blaas en rectum.
- Bij de vrouw kruist de urineleider onder de baarmoederslagader
- Bloedvaten en zenuwen lopen via openingen in de bekkenwand naar de benen.
De bekkeningang scheidt het kleine bekken van het grote bekken.
De bekkeningang vormt de grens tussen het grote bekken en het kleine bekken. Boven deze opening ligt het grote bekken; eronder bevindt zich het kleine bekken, ook wel het ware bekken genoemd. De bekkenrand omlijnt de bekkeningang en helpt zo de twee delen anatomisch van elkaar te onderscheiden.
Het heiligbeen ligt achteraan; het schaambeen vormt de voorzijde.
Het kleine bekken wordt achteraan begrensd door het heiligbeen en vooraan door het schaambeen. Samen met de bekkenbeenderen aan weerszijden vormen deze botstructuren een stevige ring die de bekkenorganen beschermt en ondersteunt.
De bekkenbodem ondersteunt de bekkenorganen en helpt urine op te houden.
De bekkenbodem is een geheel van spieren en bindweefsel onderaan het kleine bekken. Ze ondersteunt de bekkenorganen, zoals de blaas en de darm, en helpt mee om urine op te houden. Wanneer de bekkenbodem aanspant, ondersteunt ze de sluiting van de urinebuis; bij het plassen ontspant ze opnieuw. Een goede werking hangt dus af van zowel voldoende kracht als de mogelijkheid om de spieren bewust te ontspannen.
De blaas ligt vooraan en het rectum achteraan in het bekken.
De ligging van de blaas en het rectum helpt om de anatomie van het kleine bekken te begrijpen: de blaas bevindt zich vooraan, achter het schaambeen, terwijl het rectum achteraan ligt, vóór het heiligbeen en het staartbeen. Daartussen liggen, afhankelijk van de anatomie, onder meer de baarmoeder en de vagina of de prostaat. Die ruimtelijke ordening is belangrijk voor de werking van de bekkenorganen en wordt vaak gebruikt als oriëntatiepunt bij medisch onderzoek.
Bij de vrouw liggen baarmoeder en vagina tussen blaas en rectum.
Bij de vrouw liggen de baarmoeder en de vagina in het kleine bekken, tussen de urineblaas vooraan en het rectum achteraan. De baarmoeder bevindt zich doorgaans boven de vagina en staat via de baarmoederhals in verbinding met de vagina. De precieze ligging kan verschillen van persoon tot persoon en kan ook veranderen, bijvoorbeeld naargelang de blaas of het rectum gevuld is.
Bij de vrouw kruist de urineleider onder de baarmoederslagader
Bij de vrouw kruist de urineleider in het kleine bekken onder de baarmoederslagader, vlak bij de baarmoederhals. Dit wordt vaak onthouden met de ezelsbrug “water onder de brug”: de urine (via de urineleider) loopt onder de slagader door. De verhouding is belangrijk bij gynaecologische ingrepen, omdat de urineleider daar dicht bij de baarmoederhals en de bloedvaten ligt en dus zorgvuldig moet worden geïdentificeerd.
Bloedvaten en zenuwen lopen via openingen in de bekkenwand naar de benen.
Via verschillende openingen in de bekkenwand lopen bloedvaten en zenuwen vanuit het kleine bekken naar de benen. Zo passeren onder meer de grote beenzenuw en belangrijke bloedvaten naar het bovenbeen. Deze doorgangen verbinden het bekken met de onderste ledematen en maken de bloedtoevoer en zenuwvoorziening van de benen mogelijk.
